Tot het begin van de twintigste eeuw bestond het landschap uit heidevelden met vennen en veenachtige beekdalen van de Mangel-, Helder- en Zwarte Beek, en vaak eeuwenoude hooilanden.
De ontdekking van steenkool had ingrijpende gevolgen voor het landschap. Met kipwagens en treintjes werd overtollig steenmateriaal vanuit de kolenwasserij in de mijngebouwen naar de terril vervoerd. De berg bleef aangroeien en tegen het einde van de steenkoolontginning in 1992 torende de terril maar liefst 85 meter boven de grond uit.
In 1997 verkocht NV Mijnen het terrein aan de Vlaamse overheid die het vervolgens erkende als Vlaams natuurreservaat.
De hellingen aan de zuidkant genieten van een microklimaat met snelle opwarming. De plantengroei bestaat uit soorten die houden van droge en matig vochtige bodems. Het steenstort bevat leisteen en schiefer die soms harde stenen vormen maar vaak ook broos zijn en verbrokkelen. Dit verbrokkelde materiaal bevat leem dat rijk is aan mineralen en bijgevolg ook planten aantrekt die houden van voedselrijke grond.
De terril ligt in het Europese Vogelrichtlijngebied ‘Zwarte Beek en Militair Domein’. Je ziet hier zeldzame soorten zoals nachtzwaluw en boomleeuwerik. Ook zwarte specht, sperwer, havik, de opvallende ijsvogel en vele insecten en vlinders doorkruisen hier het luchtruim.
Om de kwetsbare natuur van de mijnterril te vrijwaren, stippelde het Agentschap voor Natuur en Bos duurzame beheermaatregelen uit. Schapen begrazen het terrein en verhinderen zowel bodemerosie als bosontwikkeling. De zeldzame heidebiotoop krijgt op die manier volop kansen.