In de beekvalleien van Midden-Limburg richtte men in de Middeleeuwen vijvers doelbewust in voor het kweken van vis, oorspronkelijk vooral door de kloostergemeenschappen. Beken werden gewoon opgestuwd om grotere waterpartijen te bekomen. In een beekvallei ontstond zo een ruime aaneenschakeling van kweekvijvers (wijers genaamd) met een complex systeem van op- en aflaatgrachten. Daartussen lagen ook hooilanden en broekbossen.
In dit land van plassen en blauwe aders vestigden zich planten en dieren die graag met natte voeten door het leven gaan. Een bizarre reiger als de roerdomp en de boomkikker, die liever in struiken kruipt dan te huppen door het gras, zijn typische “waterlanders”. Droogvallende oevers zijn er getooid in vaak onooglijke vegetaties van zeldzame schoonheden als pilvaren en gesteeld glaskroos. In tijden van toenemende milieuverontreiniging, verstedelijking en verdroging weet het Agentschap voor Natuur en Bos, door gespreide aankopen en beheerovereenkomsten, onder een intensief beheer grote delen van het vijverlandschap te bewaren.